Welkom

De informatie op deze site wordt niet meer bijgewerkt... klik door naar deze site voor de aktuele informatie!


Hans



donderdag 23 augustus 2007

Op vakantie in Albania week 2

Bijna twee weken zijn om. Een reden om in Albanië te komen wonen, is de tijd die men hier nog heeft, zo dacht ik toch. Maar ook hier vliegt de tijd, toch als je met vakantie bent.

We vonden hier onlangs onze droomwoning. Op de vijfde (dak-)verdieping, drie slaapkamers (met elk een eigen badkamertje), een keuken met living, en een reuze badkamer waar je met vijftien kunt douchen. Het mooiste zijn eigenlijk de twee dakterrassen: rondom rond kijk je over de hotels en appartementen en de snelweg naar de zee en de bergen. In de verte kunnen we het centrum van Durrës zien liggen, meer dan tien kilometer verder. Plaats genoeg voor een daktuin, zwembad(je), Bar Exotique, ligstoelen, een koninklijke tafel... Twee nadelen: er is geen lift (maar in een land waar de elektriciteit toch gemiddeld één keer per dag wegvalt, is dat misschien toch zo erg niet) en de prijs... maar ja, het is dan ook een koninklijke woning, daar wordt – zelfs in Albanië – een koninklijke prijs voor gevraagd.

Elektriciteit en water, het zijn voor ons zo vanzelfsprekende nutsvoorzieningen die slechts heel uitzonderlijk even wegvallen. Maar in Albanië is dit echt problematisch. Elke winkel of horecazaak heeft een eigen generator om in geval van panne onmiddellijk over te schakelen op deze reservebron. Voor het milieu kan het in elk geval weinig gezond zijn: de gemiddelde leeftijd van een auto-motor is hier al hoger dan het Europees gemiddelde, de uitstoot zal dus navenant zijn en de extra uitstoot van generatoren doet dit prachtig land weinig goed. Bovendien davert de hele straat van het extra lawaai dat deze generatoren produceren.

Het archeologisch museum in Durrës heeft een prachtige collectie. Het gebouw is erop voorzien om zonder elektriciteit te werken: pas halverwege de collectie viel het me op dat we pa drita waren (zonder licht, zonder elektriciteit). De kassa werkt dus niet, maar voor het handvol mensen dat er dagelijks binnen komt aan de belachelijke prijs van 200 lekë (100 voor de autochtonen) is er eigenlijk geen kassa nodig. Om je het opzoekwerk te besparen: 120 lekë is ongeveer 1 €...

De collectie beslaat de hele gelijkvloerse verdieping, en van hieruit zien we dat er boven nog veel te zien valt, maar de afdeling is gesloten. Materiaal genoeg, zegt de kassierster ons, maar geen centen om het tentoon te stellen. Ook jammer dat er zo goed als alleen informatie in het Albanees voorhanden is. Buiten het museum ligt het nog vol materiaal: bakken met potscherven, delen van beelden, beenderen... een natte droom voor de archeologen, zo stel ik me voor.

Een beetje verder vinden we het amfitheater. Gratis ingang van 8 tot 20 uur, in tegenstelling tot vorig jaar en wat er in de boekjes staat. Slecht bewaard en nog veel werk om het in oorspronkelijke staat te herstellen. Het toneel is jaren een begraafplaats geweest. Enkele goed gerestaureerde stukken geven wel een goed beeld van hoe het ooit geweest is. Bovendien is er een prachtige mozaïek (op de muur) van de opdrachtgever van een kapel.

Terwijl ik Eva een poging tot introductie in de oude kultuur presenteer, hoor ik een Nederlandstalige stem, verwonderd over het Nederlands dat hij hoort. Marcella en Wouter, uit Amsterdam, hebben ook de Bradt-gids over Albanië gelezen en zijn hier ook beland. Ze hebben geen familie hier en reizen dus als echte toeristen rond. De Albanese gastvrijheid en het verschrikkelijke autoverkeer vallen hen het eerste op. Ze hopen dat het toerisme niet de massa zal aantrekken zodat het land zijn eigenheid nog kan behouden. Toffe mensen, ze zullen hier nog leuke momenten beleven want ze houden van het land en de mensen, en niet van het toerisme.

Centjes wisselen (helaas is er hier nog geen €, maar het is ook wel leuk om in een ander land met andere valuta te rekenen, dat is toch een deel van het exotisch gevoel, niet waar?) doen we in de Bank van Tirana, maar de lieve bankbediende geeft ons de tip om het in een andere bank te doen: Western Union hanteert een interessantere koers. Waar in België zouden we dat nog beleven?

Als ik het idee opper om eens naar Elbasan te gaan, krijg ik verwonderde reakties van de Albanezen. Er is daar niks te zien. Het stadje is gekend omwille van de vergane glorie in de metaalnijverheid. Enkel een Turks-Albanese staalfabriek, een paar cementfabrieken en keramiekfabrieken resten nog. Deze industriële bijdrage tot de productie van fijn stof (alsof dit land hieraan een behoefte zou hebben bij 38° C en zanderige wegen) is twijfelachtig interessant maar voor de tewerkstelling is het wellicht een goeie zaak. Liefhebbers van industriële archeologie kunnen hier maandenlang hun hart ophalen. En wie op zoek is naar een uniek kader voor een film: allen hierheen.

Dat het stadje ook een mooi oud centrum heeft en een goed uitgerust etnografisch museum, is hen onbekend. Ooit was dit stadje een Romeins kamp langs een heirweg. Een deel van de muren staat er nog en de smalle straatjes met oude huizen doen me binnen de korste keren de oriëntatie verliezen. De oudste Albanese moskee van het land staat hier (op vrijdag was er net een dienst bezig, dus geen foto's) en heeft geen minaret, maar zo zijn er nog in dit land. Enkele steegjes verder bots ik op een oude orthodoxe kerk, vlakbij de eerste Albanese normaalschool. In de kerk prachtig houtsnijwerk, buiten een mooie galerij... en dan is er hier niks te zien?

In het park zoeken de oudjes de schaduw op. Boven de 35° C en nog geen 11 uur... en toch dragen ze hier lange broeken en lange mouwen. Er is teveel volk in de buurt want het is markt, maar hier vallen prachtige portretten te maken van mensen, gebeeldhouwd door de tijd en het harde werk.

De zoektocht naar het etnografisch museum verliep heel grappig. Zoals altijd zijn er geen wegwijzers of bordjes te vinden. Dus vraag ik het maar links en rechts, maar zelfs de Albanese flik die toch maar staat te kijken naar de chaos in plaats van het verkeer te regelen, kan me niet verder helpen. Even later blijkt dat mijn auto er zo goed als naast geparkeerd staat. Inderdaad een oude woning, maar verder doet niks vermoeden dat hier een museum is. Bovendien is de metalen poort aan de voortuin dicht. De krantenverkoper in de buurt begrijpt me zonder woorden en doet resoluut het poortje voor me open en gaat me voor, het huis binnen. Hij roept net zo lang het hele huis door totdat hij de vrouw des huizes, ergens in het washuis bezig, bereid vindt om de sleutels van het museum te zoeken. Haar man, of haar vader - dat is me niet erg duidelijk - is wellicht naar de kapper, de markt, de bakker, en daarom was het poortje dicht. Ik hoor de krantenverkoper haar uitleggen dat het toch onbeleefd zou zijn dat de vreemdeling zou moeten wachten totdat de curator van het museum terugkomt van de kapper, markt of bakker. En met tegenzin maakt ze me duidelijk dat het museum dus open is. De kamers van het oude huis zijn verzorgd ingericht en stellen het leven ten tijde van de Ottomaanse overheersing voor. Er is zo goed als geen informatie en wat er staat, is in het Albanees. Met enig argwaan achtervolgt de vrouw des huizes me in elke kamer, maar foto's maken, is geen probleem.

Onderweg terug naar Durrës, ga ik me verfrissen in de Shkumbini, één van de grote rivieren die dit land rijk is. Op dit moment niet zo groot: als ik zou willen, kan ik de rivier te voet oversteken zonder te moeten zwemmen. Maar aan de lage begroeiing te zien, kan ik vermoeden dat het hier in het najaar of tijdens de winter er helemaal anders uitziet. Of het water proper is, kan ik moeilijk geloven: de fabrieken liggen stroomopwaarts... en waar zouden die hun vuiligheid lozen? Om te kajakken moet het hier ook leuk zijn, al weet ik niet of de rivier overal diep genoeg is om een vlotte doorgang te garanderen. Het zal in elk geval een alternatieve manier zijn om het land te verkennen... Tegen volgend jaar moet ik mijn kajak repareren!

dinsdag 14 augustus 2007

Op vakantie in Albanie - week 1

De tweede keer in Albanië, de eerste keer met de auto er naartoe. De reis op zich is al een avontuur. De eerste honderden kilometers niet echt: we rijden op vertrouwde autosnelwegen door België, Duitsland, Oostenrijk, Slovenië en Kroatië, eventjes ook door Bosnië. Voorbij Split, waar de autostrade eindigt, begint het avontuur pas echt. Smalle bochtige baantjes slingeren zich een weg door de bergen, langs de Adriatische kust naar het zuiden. In Dubrovnik worden we op een schitterend panorama getrakteerd: de oude haven met een helikopter en vliegtuig er vlak boven... maar het enthousiasme wordt vlug getemperd als blijkt dat het over blustoestellen gaat. De avond voordien heeft in Dubrovnik wellicht niemand met een gerust hart geslapen: de vlammen kwamen van de bergen naar beneden geraasd tot aan de zee. Voor zover we konden zien zonder al te veel materiële schade. Maar de natuur heeft wel duidelijk een tol betaald: zwartgeblakerde dode landschappen met hier en daar nog smeulende vuurhaarden en rond het hele stadje een blauwgrijze rook. De wegen zijn niet afgesloten, we gaan er dus maar van uit dat we met een gerust hart verder kunnen rijden en in alle stilte zijn we blij dat we de dag voordien enkele uren gerust hebben voorbij Split en niet in Dubrovnik zelf zoals we eerder van plan waren.
Aan de grens met Montenegro krijgen we het even benauwd: de norse douane vraagt in het Duits of we apparaten mee hebben (wijzend op enkele kado's die we voor familie meebrachten), maar in het Engels antwoorden we dat we niks aan te geven hebben... en blijkbaar nemen ze daar genoegen mee (al denk ik dat hun kennis van het Engels zo slecht is dat ze amper verstonden wat we bedoelden en ons al vlug wegstuurden om te vermijden dat we onze hele volgeladen auto in het Engels zouden uitpakken...).

Aan de Albanese grens was het onthaal vriendelijker: alleen ikzelf moest de vreemdelingentaks betalen en hoewel vrouw en kinderen intussen ook de Belgische nationaliteit hebben, worden ze nog steeds als Albanezen beschouwd en dus vrijgesteld van vreemdelingentaks.

Het verschil met de andere landen is eigenlijk al duidelijk vanaf de grens: éénmaal de Montenegrijnse grens gepasseerd, neemt de georganiseerde chaos de bovenhand. Iedereen probeert voor te steken en de douaniers voor zich te winnen om sneller te passeren. Dat lukt vrij aardig totdat enkelen hun stoute schoenen aantrekken en zonder schroom de hele rij passeren. Dit blijkt een druppel teveel te zijn: ze worden aangemaand terug aan te schuiven en ondanks enkele pogingen om hen om te praten, moeten de durvers terug naar achteren. Heel even duurt deze discipline maar, want van zodra deze formaliteit achter de rug is, stuiven ze in alle richtingen weg en steken ze links en rechts voorbij, waar er maar plaats is.

Ik trek het me niet aan en kijk al wanhopig uit naar twee zaken die ik absoluut snel wil zien na ze een jaar gemist te hebben: een bunker en een ezel. Gelukkig krijg ik beiden al binnen de vijf minuten in het vizier. En ik voel me opnieuw thuis.

De eerste aktieve kennismaking met de Albanese wegen verloopt vrij vlot, al ben ik blij dat ik er vorig jaar, zij het passief, al wat vertrouwd mee kon worden. Je moet hier evenveel vooruit als achteruit kijken, want zowel langs voor als langs achter loopt het gegarandeerd in het honderd.

De snelweg van Shkodër naar het zuiden is een brede baan met een enkel rijvak in elke richting. Breed genoeg om met vier in elke richting te rijden als het moet. Meest rechts is er plaats voor voetgangers, fietsers, honden en schapen. Dan volgen de karren met paard of ezel en de motorfietsen. Vervolgens de trage voertuigen (vrachtwagens, auto's met een bejaarde status en vrachtwagen-driewielers) en tenslotte de snelheidsduivels (het is uiteindelijk toch een SNELweg). In feite wordt de baan gebruikt zoals je zelf wil: heb je zin om op het baanvak van de tegenligger te rijden, dan kan je dat rustig doen. Meestal gaan tegenliggers ruim uit de weg om je plaats te geven. Beginnen ze daarentegen vervaarlijk te toeteren of met de lichten te knipperen, dan is het aangeraden een beetje plaats te maken. Het voertuig dat voorbijgestoken wordt, heeft meestal de goodwill om ook enkele meters op te schuiven, maar ook hier geldt: toeteren en met de lichten knipperen is zorgen dat je uit de weg bent. Het toeteren is overigens iets wat Albanezen als de beste kunnen. Hoe slecht sommige voertuigen er soms aan toe zijn: altijd werkt de toeter. En dat is maar goed ook. Er valt hier overigens geld te verdienen met de opmaak van een toeter-woordenboek: zowat alles kan je met de toeter gezegd krijgen. Van “maak je uit de weg” tot “heb je geen zin om een koffie te drinken”... voor buitenlanders geen eenvoudige opgave om ze te verstaan. Maar je raakt het vlug gewend: ik zal het missen als ik terug in België ben, want ik rij hier intussen al vrolijk mee-toeterend rond.

Al bij al valt het rijden hier mee, al moet gezegd worden dat het eigenlijk niet aan beginnelingen is besteed: je moet hier het nodige lef hebben of je geraakt geen meter vooruit.

Aangezien de policia rrugore (verkeerspolitie) hier zowat om de 100 meter snelheidskontroles uitvoert met voorhistorische snelheidsmeters, moet je hier zowat elke 100 meter op de rem staan. Hoe dit in zijn werk gaat, moet ik nog uitzoeken. De regels omtrent snelheidsbeperkingen zijn absoluut onduidelijk en bij navraag blijkt zowat iedereen hieromtrent een eigen uitleg te hebben... ik zal het bij gelegenheid eens opzoeken op het internet en wie weet, krijg ik de gelegenheid om het de Albanese flikken zelf te vragen.

Het eerste kontakt met hen was overigens best leuk. Omdat ik absoluut niet kon vermoeden of ik al dan niet te snel reed, sprak ik bij de kontrole die ik deze week tegen kwam, vlot Engels met een brede smile. De agent vroeg me in iets minder vlot Engels waarheen we gingen en toen ik opnieuw een waterval Engels over de arme man liet vloeien, liet hij me met een verlegen blik opnieuw vertrekken. Die truuk met dat Engels, dat blijkt hier overal te werken. Ik kijk al uit naar het volgende kontakt.

Ondanks berichten op het internet over mogelijke regenbuien, hebben we hiervan alsnog niks gemerkt: lekker in de zon, op het strand dat ons snel opnieuw vertrouwd was. De tweede dag al werden we verwelkomd door Remi Nga Golemi, mijn goeie vriend de druiven-peren-vijgen-verkoper die we twee keer per dag over het strand zien komen. Van ver zag hij ons al zitten, en hoewel we even van zijn trajekt zaten, kwam hij onmiddellijk naar ons toe om te informeren over onze gezondheid, de kinderen, de ouders enzovoort. Albanese gastvrijheid en een eerbiedig onthaal: het is hier een kunstvorm die door alle rangen en standen beheerst wordt. Natuurlijk kende hij ons nog van vorig jaar: uit België kwamen we, herinnerde de man zich nog perfekt. Met veel plezier kopen we onze eerste Albanese kilo's druiven bij Remi.

Onze vakantie is voor het grootste deel een familie-vakantie. We halen Gjyshi en Nëna op in Berat en brengen hen naar ons vakantiehuisje in Durrës. Beiden stellen het goed: Gjyshi is in vorm en maakt grapjes de hele tijd. Van elke gelegenheid maakt hij gebruik om een stukje Albanese vaderlandse geschiedenis of een of andere volkswijsheid uit te leggen. Nëna is ouder geworden, ze maakt zich voortdurend zorgen over van alles en nog wat. Vooral de maaltijden en onze kleren zijn een grote zorg: of we wel genoeg eten en propere kleren hebben... als het aan haar lag, zou ze van 's morgens tot 's avonds koken en kleren wassen. We moeten haar op tijd en stond – met veel liefde uiteraard – vastketenen aan haar zetel of strandstoel.

De andere familieleden maken het eveneens goed: broer, zus, tantes, nonkels, neven en nichten... ze komen allemaal aan de beurt, in de juiste volgorde wel te verstaan (kwestie niemand voor het hoofd te stoten). De familiebanden zijn hier sterk en een zekere hiërarchie dient gerespekteerd te worden. Het heeft zo zijn voor- en nadelen.

Berat is een prachtige stad; vorig jaar bezochten we het kasteel, dit jaar de buurt rond de moskee.

De haven van Durrës, de grootste van Albanië, was een tegenvaller. Althans, de plaats waar we een nichtje gingen ophalen die na een jaar studie in Italië op vakantie kwam naar Albanië. Dit is een internationale grenszone, maar elke akkomodatie ontbreekt hier. Een grote geelgeverfde ijzeren poort, een massa mensen ervoor halsreikend uitkijkend naar de familie die ze opwachten. Het terrein ligt half op de spoorweg, half in de kiezels, nergens informatieborden noch infopunten. Vier eettentjes met stoeltjes en tafeltjes, in de buitenlucht, om het wachten te verzachten. Aan de bedelaars zie je wanneer de boten gearriveerd zijn: op dat moment komen ze vanuit het niks opduiken en dringen ze zich een weg naar voren om de rijke toerist wat centen af te smeken. En zelfs onder de bedelaars zijn er armen en rijken: er wordt een echte oorlog uitgevochten om de beste klant (we zagen een oud vrouwtje systematisch weggeduwd worden door een groepje zigeuners met slapende kindjes op de arm). De Albanezen hebben nog werk aan de winkel als ze een Europees land willen worden.

Zaterdag komt er nog familie uit New York, dan is de clan kompleet, we zullen feesten!